Februari 1907, dagboek bijgehouden door mevrouw Fens:
“De begrooting voor den buiten was f 17.600, hetgeen natuurlijk veel te veel was. Architect Geenen laten komen en hebben wij nu een kleiner plan voor het huis besproken; geen slaapkamers beneden. Dat zou hij nu eens uitwerken, ook geen hardsteen aan de gebouwen, verschillende bezuinigingen aanbrengen, en zou hij daarvan dan een opgaaf doen met nieuwe teekening.”
Om in stijl naar Kortonjo te kunnen gaan, kopen ze in Utrecht een Landauer. En daar horen uiteraard ook een menner en een nieuw paard bij: “Om kwart over 9 ben ik met Anton en Van der Leeden naar Scheffers in den Bosch geweest, verschillende paarden gemonsterd; met 2 gereden. Een lichtbruine en een donkerbruine. De laatste beviel ons het beste; het was een goed ras: Hanoveriaan. De lichtbruine was ook heel mooi, maar had veel kleine bruine plekjes op het lijf, wat ik niet mooi vond.”
“Piet van den Reek is als koetsier in dienst gekomen. Daar het paard er nog niet is, heeft Piet de hooizolder opgeruimd en in orde gebracht.” Vervolgens ging Piet naar Den Bosch om het paard nogmaals te rijden: “Extra brief gekregen van Scheffers dat hij het paard op makheid wilde geven, dat wij na eenigen tijd, als het niet mak bleek, een ander van hem konden krijgen.”
Die avond bevestigde de koetsier dat het paard ook bij avond zeer mak was, en dat gaf de doorslag: “Piet weer naar den Bosch vertrokken; hem een brief van Joseph meegegeven dat wij het paard op die conditie accepteerden en ook een brief van mij over een en ander. Piet om 9 uur teruggekomen. Hij had nog tweemaal met het paard gereden en was het dier uiterst mak geweest.”
Enkele dagen later kwam het paard aan op Kortonjo: “Om 4 uur is het paard aangekomen. Het zag er goed uit en niets vermoeid. Wij zullen hem Max noemen.”
De dag erna werden er meteen drie ritten gemaakt, waaruit we kunnen concluderen dat het paard was goedgekeurd. De daaropvolgende dag werd het bedrag dan ook betaald.